Petitie: Algerije na 11 September: en de Mensenrechten?

PETITIE: ALGERIJE NA 11 SEPTEMBER: EN DE MENSENRECHTEN?

Op 19 december a.s. wordt in Brussel een samenwerkingsverdrag tussen de Europese Unie en Algerije ondertekend (welke pas van kracht gaat na ratificatie door de betreffende parlementen). Het is duidelijk dat deze – al enige tijd trainerende – overeenkomst een gevolg is van 11 september en een sterk gebaar van legitimatie aan de generaals in Algiers betekent.

Daar dit een uiterst ernstige zaak is hebben wij onderstaande tekst samengesteld. Zoals eerder in het verleden, willen we graag dat de tekst zo snel mogelijk en door zo veel mogelijk Europese en Algerijnse persoonlijkheden wordt ondertekend (met een per land te selecteren aantal). Vervolgens zal verspreiding via de grotere Europese dagbladen plaatsvinden . De tekst zal tevens on-line op www.algeria-watch.org verschijnen met een lijst van eerste ondertekenaars, waar men zich bij kan aansluiten.

Bent u het hier mee eens, mail dan uw steun zo snel mogelijk naar

 

Oproep en Petitie

Ter gelegenheid van de ondertekening van het samenwerkingsverdrag tussen de Europese Unie en Algerije

ALGERIJE NA 11 SEPTEMBER:
EN DE RECHTEN VAN DE MENS ?

 

De analyse en de oproep die hieronder zijn afgedrukt dateren van voor de ondertekening op 19 december 2001 van het samenwerkingsverdrag tussen de Europese Unie en Algerije. Pas daarna hebben wij kennis genomen van de tekst van het verdrag dat in totale ondoorzichtigheid is opgesteld. Zoals te vrezen viel, beschouwt de Europese Unie het Algerijnse bewind als een ware democratie, want in artikel 2 van het verdrag lezen wij: « De naleving van de democratische grondbeginselen en van de grondrechten van de mens, zoals bepaald in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens vormt een belangrijke inspiratie voor het interne en internationale beleid en is een essentieel onderdeel van het huidige verdrag.

Deze veronderstelling die tegenstrijdig aan de waarheid is heeft het impliciete gevolg dat in de optiek van de Europese Unie de dagelijkse schendingen van de mensenrechten in Algerije uitsluitend door « terroristen » worden gepleegd. Maar erger is nog dat er in feite -en dat is iets nieuws in dit soort verdragen – een samenwerking wordt voorgesteld met de Algerijnse regering om « terroristische acties te voorkomen en te onderdrukken » (artikel 90). Deze bepaling bedingt de uitwisseling van gegevens en de uitwijzing van verdachte personen. Dit komt er logischerwijze op neer, dat de Europese Unie bereid is om met krachtige hand een bewind te ondersteunen waarvan de veiligheidsdiensten al tien jaar systematisch martelingen, buitengerechtelijke executies alsmede verdwijningen van (veronderstelde) tegenstanders uitvoeren.

De wens van de Europese Unie om de rechtstaat via samenwerking op juridisch en judicieel gebied (artikel 85 en 91) te versterken lijkt nogal theoretisch, want elders staat dat « geen enkele bepaling uit het verdrag geen der contractanten ervan kan weerhouden maatregelen te treffen die zij van wezenlijk belang achten om de veiligheid te waarborgen in geval van ernstige binnenlandse onrust » (artikel 101). Welnu, Algerije kent ook vandaag nog « ernstige binnenlandse onrust » en  » de maatregelen om de veiligheid te waarborgen » zijn een staat van beleg die niet openlijk wordt toegegeven, een repressie die nog steeds even wreed en willekeurig is (ondanks enige nieuwe voorzorgsmaatregelen), de onderwerping van de politieke en rechterlijke macht aan de militaire macht, alsmede de constante corrupte uitbuiting van de nationale rijkdommen.

Met dit voornamelijk economisch-commercieel verdrag doet de EU veronderstellen dat het vrijemarktprincipe vrede, veiligheid en welvaart voor het Algerijnse volk zou betekenen. Dit is echter verre van waar: een zo openlijke steun aan de generaals in Algiers maakt elke vorm van politieke openheid onwaarschijnlijk. Terwijl alleen die openheid vrede en samenwerking tussen de EU en alle Algerijnen kan garanderen.

Daarom is het belangrijk dat de Europese parlementen het verdrag in deze hoedanigheid niet ratificeren en dat zij van de Commissie in Brussel amendementen eisen alsmede initiatieven waarmee zij die zich inzetten in Algerije voor een echte democratie ook daadwerkelijk op concrete en zinvolle wijze worden gesteund.

Algeria-Watch verzoekt haar lezers om in grote getale deze tekst te ondertekenen voor 28 februari 2002. Vervolgens zal deze petitie met een lijst van ondertekenaars worden aangeboden aan de afgevaardigden van de lidstaten van de EU en het Europese Parlement.

 

Oproep

« Sinds 11 september hebben de dictaturen in de wereld het beter dan ooit. » Met deze harde woorden begon de Tunesische tegenstander Moncef Marzouki op 8 december zijn ballingschap in Parijs, na jaren van vervolgingen (Le Monde, 11 december 2001). Refererend aan de lovende woorden die de Franse president aan het adres van de heer Ben Ali uitte, tijdens zijn flitsbezoek aan de drie Maghreb-landen, voegt Marzouki er aan toe: « Het is de hoogste tijd dat de heer Chirac en overige Westerse leiders zich realiseren dat de zaken waar zij zo bang voor zijn, te weten emigratie en terrorisme, een direct gevolg zijn van dictatuur en corruptie. »

De heer Marzouki spreekt uit ervaring, namelijk die uit zijn land. Het is echter duidelijk dat zijn woorden een bredere toepassing hebben. En het moet ook gezegd nu de Europese Unie op19 december een « samenwerkingsverband » met Algerije wil ondertekenen. Tunesië was het eerste land dat op 12 april 1995 een dergelijk politiek-economische overeenkomst sloot met Brussel. Het was voor generaal Zine El-Abidine Ben Ali, de belangrijkste vrijbrief om ongestraft van zijn land « une si douce dictature » te maken (aldus de journalist Taoufik Ben Brik).

Wij accepteren deze samenzwering nog steeds niet. Eveneens weigeren wij dat een dergelijke procedure op Algerije wordt toegepast. Het betekent immers een ‘carte blanche’ voor de generaals die het land al 10 jaar lang in een afschuwwekkende en uitzichtloze situatie storten om hun eigen zakken te kunnen vullen met de miljarden Franse franken uit clandestiene import- en exportcommissies.

Het is duidelijk dat deze overwegingen nog nooit een ‘agendapunt’ waren van de Brusselse onderhandelaars. Tijdens de jarenlange voorbereidende onderhandelingen met Algerije deden ze ‘maar liever alsof…’.

Alsof de opeenvolgende regeringen, die sinds 1992 via staatsgrepen of vervalste verkiezingen tot stand kwamen, de Algerijnse democratie ‘echt’ vertegenwoordigden. Alsof de strijd tegen de Gewapende Islamitische groepen met de wapenen van het Recht was gevoerd (op een paar ‘blunders’ na). Alsof de Algerijnse economie een ‘normale’ economie was, die via dit samenwerkingsverdrag een nieuwe impuls zou krijgen, om zo makkelijker deel te kunnen nemen aan de wereldhandel.

Maar niemand twijfelt eraan dat de technocraten in Brussel uitstekend weten waar ze zich aan dienen te houden, evenals de regeringen uit wier naam zij onderhandelen. Zij weten dat hun ‘officiële gesprekspartners’ slechts de figuranten van een ‘Potemkin-Algerije’ zijn, een presenteerbare façade die zorgvuldig geconstrueerd en gecontroleerd wordt door de generaals van het ‘Zwarte Kabinet ». Zij weten dat dezen dankzij de tot op heden nog van kracht zijnde noodtoestand via vrijheidsdodende besluiten kunnen ‘regeren’, maar dat deze regering niet in staat is om te reageren op een rampzalige overstroming in de hoofdstad, Zij weten dat het geweld dat sinds 10 jaar debet is aan meer dan 200 000 doden, meer dan 100 000 verdwijningen, miljoenen gewonden, wezen en ontheemden (meer dan 500 000 ballingen), wellicht evenzeer veroorzaakt wordt door de ‘optredens’ van de gewapende islamitische groeperingen als door de ‘vuile oorlog’ van de DRS (Ex-Veiligheidsdienst van het leger) en de ‘speciale troepen’ van het leger. Zij weten dat het overal toegepaste martelen en het doodschieten van demonstranten, zoals nog onlangs in 2001 in Kabylie, de norm is voor de ‘handhaving van de orde’. Zij weten dat de tientallen moorden en slachtingen die elk maand met algemene onverschilligheid worden geregistreerd meestal worden uitgevoerd door doodseskaders en gewapende bendes die gecontroleerd of gemanipuleerd worden door de ‘besluitnemers’. Zij weten eveneens dat er ten behoeve van de ‘burgereendracht’ van President Bouteflika, duizenden ‘berouwvolle’ criminelen uit de ‘maquis’ geen enkele rechtspraak hebben gehad en dat velen van hen opgenomen werden in de veiligheidsdienst, waar overigens ook velen uit voortkwamen (dubbelagenten, ‘leger-islamisten’).

Tenslotte weten zij ook dat de Algerijnse economie een onvoorstelbare ramp is met meer dan de helft van de jongeren zonder baan, met families die in krottenwijken opeengepakt zitten of in armoedige woningen (waar men om toerbeurten kan slapen), dat er nog maar een paar uur per week water uit de kraan komt. De belangrijkste consumptiegoederen worden geïmporteerd, de industrieën die de lokale markt moeten voorzien zijn geruïneerd, en de privatisering van de overheidsbedrijven is een trieste aanfluiting. De corruptie door alle gelederen van het sociale leven blijft het laatste, perverse, bindmiddel van een officieuze economie waarin velen ternauwernood kunnen overleven en een zeer klein aantal zich schaamteloos verrijkt.

En toch onderhandelt Brussel en wenst het zich te verenigen met het Algerije van de generaals. Twee cynische en harde motieven liggen daaraan ten grondslag: De eerste is een strategische: het land is een belangrijke gas- en olieleverancier van een aantal Europese Unie-landen (deze enige economische sector die functioneert vertegenwoordigt 97% van de exportinkomsten en is de belangrijkste bron van commissiegelden voor de ‘besluitnemers’ (en wellicht ook van de ‘retourcommissies’, waarvan sommigen ‘zaakwaarnemers’ al jaren genieten.) De tweede reden is een ideologische: tegenover het ‘Islamitisch gevaar’ kun je maar beter door en door corrupte en bloeddorstige militairen steunen (de ‘Nixon-doctrine’ : ‘het is een klootzak, maar het is onze klootzak’ zei hij over de Chileense dictator Pinochet).

Sinds 10 jaar hebben de rentenierende generaals dit cynisme uitstekend weten te gebruiken om voor hun oorlog tegen het Algerijnse volk de politieke en economische steun te krijgen die ze van de internationale gemeenschap, de Europese Unie en van Frankrijk verwachtten, waarbij deze laatste de toon aangeeft aan de rest van de wereld (want het lijkt wel of Algerije in de ogen van de Europese democratieën na veertig jaar onafhankelijkheid nog steeds een interne aangelegenheid van Frankrijk is). En na de tragische gebeurtenissen van 11 september hebben zij het voordeel naar hun hand gezet zoals onomwonden wordt gesteld door generaal-majoor Mohamed Touati, adviseur van de Président en die vaak wordt beschouwd als het brein van het ‘zwarte kabinet’ : « Wat ik in deze omstandigheden graag zou willen is dat zij (Algerije) de internationale publieke opinie, die misleid is door bronnen die gelieerd zijn aan het internationale terrorisme en aan het terrorisme in Algerije, wakker schudt, met name over hoe het hier in werkelijkheid gaat » (El Watan, 27 september 2001). Woorden die nog eens herhaald werden door een ‘hoge verantwoordelijke’ uit Algerije: « De internationale context is gunstig voor ons, onze eisen, met name op het gebied van antiterrorisme worden nu toegekend en begrepen » (Le Quotidien d’Oran, 9 december 2001).

Het is in deze context dat op 19 december een samenwerkingsverdrag wordt getekend tussen de Europese Unie en Algerije. Het is in onze ogen veelbetekenend dat hierdoor een impasse ontstaat met betrekking tot de ‘versterking van de democratie en het respect voor de rechten van de mens’ (welke evenwel als één van de belangrijkste afspraken van de befaamde ‘Verklaring van Barcelona » die gemaakt werd tijdens de conferentie van November 1995 voor landen van Europa en het gebied rond de Middellandse Zee en die zowel door Algerije als door de lidstaten van de Europese Unie werd ondertekend).

Wij weigeren een samenwerkingsverdrag dat de ondertekenende landen onder het mom van antiterrorisme een dekmantel verschaft voor de schending van openbare vrijheden, zoals te vrezen valt, gezien de recente, illegale uitzettingen van Algerijnse ingezetenen in Europa.

Wij delen de overtuigingen van Moncef Marzouki, namelijk, dat de strijd tegen de barbaarsheid van 11 september op geen enkele wijze de steun kan rechtvaardigen aan autocraten die deze barbaarsheid helpen te voeden. Wij weten dat het verdrag van 19 september pas effectief kan worden nadat het Europees Parlement en de parlementen van de betreffende landen het verdrag geratificeerd hebben. Van het Algerijnse parlement, dat dat frauduleus gekozen is, verwachten wij niets. Daarentegen vragen wij met nadruk aan de Europese parlementariërs dit economische akkoord niet te tekenen als de naleving van de « Verklaring van Barcelona » niet gegarandeerd is. En nu meteen vragen wij hen om te zorgen dat elementaire eisen worden ingewilligd zoals toestemming van de Algerijnse regering om speciale VN-rapporteurs inzake martelingen en verdwijningen op haar grondgebied toe te laten; en dat er een neutrale internationale onderzoekscommissie ter plekke kan gaan uitzoeken wie, waar ook vandaan, verantwoordelijk is voor de schendingen van de rechten van de mens; en tenslotte dat er meteen een international tribunaal wordt samengesteld die de verantwoordelijken kan berechten, ongeacht of het om islamitische terroristen gaat of om plegers van staatsterrorisme.